Roadtrip naar het noorden (part 2)
Week 2 van ons avontuur in het noorden. Onze campervan hadden we intussen omgedoopt tot Bobil (ik geef graag een naam aan dingen) omwille van het Noorse woord bobil, wat zoveel betekent als camper.
Na een leuke tijd in Risør beslisten we om naar het meest noordelijk punt van ons avontuur te rijden, zijnde Flåm. Ik had ergens gelezen dat je daar één van de mooiste treinroutes ter wereld hebt. Ook al ben ik van mening dat ik me niet te vaak wil overgeven aan het bezoeken van de meest toeristische plekken, wilde ik dit niet missen.
De trip van Risør naar Flåm was 430 kilometer en zou maar liefst 6u45 duren. Ik had mijn bedenkingen over de voorspelde rijtijd aangezien we tot hiertoe overal deftige wegen hadden bereden. Zelfs met een snelheidslimiet van 80 of 90 kilometer per uur zou het niet zo lang duren. Maar goed, we zouden wel zien. We hadden ons bed mee en moesten nergens op een bepaald moment zijn.
Na zo’n halfuur rijden trokken we landinwaarts richting het noorden en veranderde zowel de omgeving als de weg. We werden omgeven door bergen en water. Zoveel water. De baan werd smaller en grilliger. Ik vertoonde de eerste tekenen van Hyacinthiaans gedrag (oeps), zeker wanneer we gigantische vrachtwagens passeerden op de versmallingen.
Je moet weten dat ik in mijn Mazda 3 al last heb van grootheidswaanzin bij het rijden in België. Wanneer ik dan in een campervan zit als passagier op versmalde wegen neem ik mijn rol als copiloot zeer serieus - haha.
Na zo’n 4 uur rijden met de nodige pauzes komen we tot de conclusie dat zowel Google als ik de rijtijd onderschat hadden en gaan we op zoek naar een leuke plek om te landen voor de rest van de dag en nacht.
We vonden een plekje aan het meer met een prachtig uitzicht. De rest van de dag was het gewoon genieten van de omgeving en keihard vakantieën.
De volgende dag hadden we nog een dikke 3 uur te rijden naar onze eindbestemming Flam. We trokken nog hoger de bergen in en werden verrast door de besneeuwde bergtoppen en de vele kleine watervallen die over de bergflanken naar beneden stromen. De ene haarspeldbocht leidt naar de andere en uiteindelijk rijden we door een desolaat landschap dat in de winter duidelijk dienst doet als skigebied. Het is in niets meer te vergelijken met Risør waar we amper 2 dagen eerder waren.
Het is prachtig. Ik weet niet waar eerst kijken en ben vooral gefascineerd door de hoogspanningsmasten die het landschap tekenen. Het deed me spontaan denken aan een opdracht over vergankelijkheid die ik ooit voor school moest doen. Mijn camera was niet snel genoeg om al die schoonheid te capteren en de baan liet het niet toe om even aan de kant te stoppen, dus zakte ik achterover en genoot van het veranderende uitzicht.
Net voor aankomst in Flåm werden we nog door een avontuur van haarspeldbochten in tunnels geleid.
Voor een tunnel wordt aangegeven hoe lang deze is en telkens werden we verrast door de lengte. Een tunnel van 2,5 kilometer! Dit is sowieso de langste tunnel waar ik ooit door reed. Deze is 3,6 kilometer! Oh, 4,4 kilometer! Oké, dit is effectief de langste ooit.
Later ontdekken we dat die 4,4 kilometer niets voorstelde en reden we nog door tunnels van 11 en 14,4 kilometer lang. Inclusief blauwverlichte rotondes in de tunnels. Er zijn naar schatting zo’n 900 tunnels in Noorwegen.
In Flåm begeven we ons naar de enige camping in de buurt aangezien het niet toegelaten is om er te wildkamperen. De camping is gelukkig gezellig en we beslisten onmiddellijk om er 2 nachten te verblijven.
Flåm zelf is het bezoeken niet waard. Alles draait rond de Flåmsbana, de treinroute die van Flåm naar Myrdal loopt. De rest van het “dorp” staat in teken van deze toeristische activiteit en bestaat uit souvenirwinkels, horeca en een kleine supermarkt. Een massa toeristen komt er toe in bussen of zet voet aan wal vanuit een fjordcruise. De prijs voor de tickets bedroeg dan ook meer dan 100 euro voor 2 personen. Maar goed, dit wilde ik echt heel graag doen.
De treinroute start in Flåm op zeeniveau in het Sognefjord en eindigt in het Myrdal station zo’n 20 kilometer verder en op 867 meters hoogte. Nadien keer je gewoon met de trein terug naar Flåm. Maar je kan de afdaling ook te voet of met de fiets doen, leerde ik ’s ochtends van onze buren op de camping.
Wouter maakte de cruciale fout om me 10 minuten alleen op de camping te laten, waardoor ik met de buren begon te babbelen. Zij hadden de 20 kilometer terug te voet afgedaald in zo’n 5 à 6 uur en waren zo enthousiast over het mooie landschap. Enthousiast stelde ik aan Wouter voor om hetzelfde te doen die met kleine tegenzin toch instemde. Het gebrek aan goesting was niet geheel onterecht, want in die 10 minuten dat hij mij alleen liet, ging hij douchen nadat hij net 10 kilometer had gelopen.
De zon scheen en het was een mooie dag. De treinrit naar boven bood prachtige vergezichten, maar was absoluut een toeristisch gegeven. Op een bepaald moment hielden we halte aan een waterval waar we even mocht uitstappen, onder begeleiding van dramatische muziek. Ik hoor Wouter nog spottend zeggen: “Dadelijk komt hier iemand uit die waterval om het plaatje compleet te maken”. Nog geen 5 minuten later verscheen er naast de waterval een dansende dame in een rood kleed.
Het echte avontuur was de afdaling. Er is maar 1 weg waardoor je je best moet doen om te verdwalen, maar de soms wel zeer stevige dalingspercentages maakten het pittig. We waren al halverwege de wandeling wanneer ik ineens een loslopende hond op de weg zie. Ik heb een panische angst voor vreemde honden, zeker als ze donker van kleur en kortharig zijn. Dat heeft alles te maken met het feit dat ik als tweejarige door een hond gebeten ben.
Ik zag de hond en sloeg onmiddellijk in paniek. Ik was niet meer voor rede vatbaar, keerde om en was al van plan om gewoon terug naar boven te wandelen. Dat was geen optie, want we konden de trein niet terug naar beneden nemen.
Nieuw plan! We zouden terug wandelen naar dat groepje fietsers die een kilometer terug aan het rusten waren en ik zou hen vragen of ik achterop mocht zitten zodat we op die manier de hond konden passeren. Geen geweldig plan, maar zoals ik zei: niet voor rede vatbaar.
En dan plots, uit het niets, komt de perfecte oplossing aangereden. Ik zie een wagen en begin wild te zwaaien. Om niet te zeggen dat ik zo goed als in het midden van de weg stond waardoor de wagen wel moest stoppen. Ik doe mijn verhaal en vraag de vrouw of we een stukje met haar mogen meerijden, tot op het punt dat we de hond gepasseerd zijn. Ik denk dat ze beseft dat ze niet echt veel keuze heeft en ze stemt in.
We stappen in. Wouter op de achterbank en ik voorin. Ik ben de vrouw nog volop aan het bedanken wanneer er gehuil van op de achterbank weerklinkt. Neen, het was niet Wouter. Haha. Hoewel de verschrikking van zijn gezicht af te lezen was. De vrouw was net op pad met haar peuter, die blijkbaar geen fan is van vreemden en dus begon te huilen.
Voor Wouter was het zijn eerste ervaring met liften. Ik betwijfel of we dat in de toekomst veel vaker gaan doen. Haha.
Maar goed, we passeerden de hond, ik was gekalmeerd, en we konden weer verder met de wandeling.
We genoten van een gezellig avondje met zicht op het water in Flåm Marina. Klaar om de volgende dag verder te trekken. Initieel hadden we het idee om vervolgens naar Bergen te rijden, maar de tijd ging zo snel. We beslisten om Bergen voor een volgende trip in Noorwegen te laten en richting Stavanger te trekken.
Daar lees je alles over in het derde en laatste deel van onze trip naar het noorden.
Ik eindig opnieuw met een liedje dat onze vakantie kleurde.